Net als hun hedendaagse verwanten aten prehistorische beren alles wat los en vast zat

Door de craniodentale morfologie van moderne berensoorten te vergelijken met die van twee uitgestorven soorten, ontdekten onderzoekers van de Universiteit van Malaga dat de uitgestorven zoolgangers niet zoveel verschilden van hun hedendaagse verwanten. De grottenbeer, die gezien wordt als de grote herbivoor onder de carnivoren, blijkt meer omnivoor dan voorheen gedacht werd.

De kortsnuitbeer, een hypercarnivoor, at planten wanneer die voorhanden waren. Het onderzoek geeft een belangrijk inzicht in de evolutie van de carnivore niches gedurende de ijstijd. Het team van paleontologen reconstrueerden de trophische ecologie, of eetgewoontes, van twee berensoorten die gedurende het Pleistoceen (2,59 miljoen tot 12.000 jaar geleden) leefden: de kortsnuitbeer (Arctodus simus) uit Noord Amerika en de grottenbeer (Ursus spelaeus) uit Europa. De morphometrische analyse die uitgevoed werd op de acht huidige berensoorten bevestigde dat dit geen moeilijke eters zijn.

Boven: de schedel van een noordamerikaanse kortsnuitbeer (Arctodus simus) van het Natuurhistorisch Museum in New York. Onder: schedel van een Europese grottenbeer (Ursus spelaeus) van het Natuurhistorisch Museum in Berlijn (Foto: Borja Figueiro / SINC)
Boven: de schedel van een noordamerikaanse kortsnuitbeer (Arctodus simus) van het Natuurhistorisch Museum in New York. Onder: schedel van een Europese grottenbeer (Ursus spelaeus) van het Natuurhistorisch Museum in Berlijn (Foto: Borja Figueiro / SINC)

“Weten wat de uitgestorven beren aten is uiterst belangrijk bij het onderzoeken van de evolutie van carnivore niches in het Pleistoceen, toen de klimaatsomstandigheden veranderden”, vertelt Borja Figueirido, eerste auteur van de studie en onderzoeker aan de Universiteit van Malaga. Wetenschappers hebben ontdekt dat de beren ook toen opportunisten waren, dankzij hun morfologische en ecologische flexibiliteit.

De studie, recentelijk gepubliceerd in het Journal of Zoology, richt zich op twee prehistorische berensoorten, omdat aangenomen werd dat deze zeer uiteenlopende voedselvoorkeuren hadden. Het werd aangenomen dat de kortsnuitbeer een carnivoor was en de grottenbeer een herbivoor; “waarschijnlijk de meest herbivore soort binnen het genus Ursus”, aldus Figueirido.

“De studie laat zien dat de craniodentale morfologie van deze twee beren meer aangepast is aan een omnivoor dieet dan aan het gespecialiseerde dieet dat verondersteld werd”, zegt de onderzoeker.

De onderzoekers bestudeerden het skeletmateriaal van de huidige soorten (schedel en kaak) en dezelfde anatomische elementen van de uitgestorven beren, die in verschillende internationale musea bewaard worden.

Door middel van een statistische analyse konden de experts patronen in morfologische variatie onderscheiden, die in plaats van voorouder/afstammeling relaties meer iets vertelden over trophische ecology.

Door de ijstijden in het Pleistoceen, aten prehistorische beren, die morfologisch sterk op hedendaagse omnivoren lijken, een beetje van alles was, afhankelijk van de bronnen die beschikbaar waren. Gedurende die tijd was er en grote variatie aan prooidieren en vegetatie beschikbaar, maar er was ook grote competitie tussen de roofdieren die toen leefden.

Vandaag de dag leven ernog beren met gespecialiseerde eetgewoontes. Vanuit een morfologisch en ecologisch gezichtspunt hebben de ijsbeer (Ursus maritimus), volledig carnivoor, en de reuzenpanda (Ailoropoda melanoleuca), volstrekt herbivoor, de meeste moeite om hun eetgewoontes aan een veranderend klimaat aan te passen. “Hoewel ze niet zo gespecialiseerd zijn als bijvoorbeeld een leeuw, is het toch heel moeilijk voor een panda of een ijsbeer zich aan te passen wanneer de weinige bronnen waar zij van afhankelijk zijn zouden verdwijnen”, bevestigd Figueirido.

Bron: ScienceDaily

Geef een reactie