‘Neusgaten van Neanderthaler niet vergroot door kou’

 De brede neus van Neanderthalers was geen evolutionaire aanpassing aan de kou waarin ze leefden. Dat hebben Britse wetenschappers aangetoond.

De neusholtes van Neanderthalers waren waren relatief gezien niet groter dan de sinussen van moderne mensen. De theorie dat de oermensen een brede neus en prominente jukbeenderen ontwikkelden onder invloed van de ijstijden waarin ze leefden, is daarmee achterhaald.

Dat schrijven onderzoekers van de Londense Roehampton Universiteit in het wetenschappelijk tijdschrift Evolutionairy Anthropology.

Wetenschappers namen lange tijd aan dat Neanderthalers hun grote neusholtes gebruikten om ingeademde lucht te verwarmen tijdens koude periodes. Eerder bleek echter al dat moderne volken die in extreem koude gebieden leven, zoals de Inuit, geen vergrote sinussen hebben ontwikkeld.

De Britse onderzoekers vergeleken de neus en jukbeenderen van negen fossielen van Neanderthalers met de schedels van moderne mensen die 300 tot 1500 jaar geleden leefden. Uit het onderzoek bleek dat de neusholtes van Neanderthalers weliswaar groter waren, maar de verhouding tot de rest van hun lichaam was hetzelfde.

Volgens hoofdonderzoeker Todd Rae bewijst die bevinding dat de brede neus en grote neusgaten van Neanderthalers niet kunnen worden gezien als een evolutionaire aanpassing. “Deze ontdekking staat ons toe om op andere manieren te denken over Neanderthalers en de manier waarop ze leefden”, verklaart hij op nieuwssite Physorg.com.

De wetenschapper vermoedt dat Neanderthalers in veel minder koude gebieden leefden dan tot nu toe werd aangenomen. Mogelijk hielden de oermensen zich schuil in relatief warme regio’s. Ook de recente ontdekking dat Neanderthalers groente en graan aten, wijst daarop.

Als Neanderthalers inderdaad niet gebouwd waren op kou en zich moesten terugtrekken in warme gebieden, werd de populatie van de oermensen volgens Rae mogelijk zo klein dat ze uitstierven in de laatste ijstijd.

© NU.nl

Geef een reactie